Over Improvisatie, Rituelen en Interculturaliteit – Dansen in het midden

Dit artikel verscheen in September 2004 in TM (de TheaterMaker). Het beschrijft zowel mijn confrontatie met mijn eigen wereldbeeld tijdens een project in Africa als ook de basis van enkele overtuigingen over het vak van het Improviseren – die voor een goed deel vorm hebben gekregen door mijn ervaringen in het Senegalese zand…

Mocht je deze tekst later willen lezen, op je eigen apparaat, dan kun je hier een .pdf downloaden: Dansen in het midden

Dansen in het midden

Ik zit in het zand in een Afrikaans dorp. Het is nacht, maar in plaats van romantische vuurtjes belichten bouwlampen de plaats tussen de huizen waar de Sabar wordt gevierd. De Sabar is een feest, simpel gezegd, maar dan een West-Afrikaans feest waarbij het hele dorp betrokken is en ieders rol helder is gedefinieerd: je bent óf een danser óf een onderdeel van het joelende, klappende, commentaar gevende en lachende publiek. Het is gemakkelijk genoeg om van de ene rol in de andere te stappen. Je stapt gewoon in de cirkel en danst, of je loopt (maar vaker struikel of val je) eruit en wordt weer onderdeel van het publiek. ‘Gewoon’ is echter makkelijk gezegd. Voor mijn ogen gooien mannen en vrouwen hun benen boven schouderhoogte in de lucht. Fel tromgeroffel doet mijn lichaam trillen, en mijn buik weet nog niet of hij straks mijn benen zal kunnen overtuigen zomaar een voet in het midden van de cirkel te zetten.

In het voorjaar van 2003 waagden Dasarts en Jant-Bi/l´Ecole des Sables (een centrum voor eigentijdse Afrikaanse dans in Toubab Dialaw, Senegal) zich aan een samenwerking die, op vele manieren, de natte droom was van iedere intercultureel bewogen kunstfunctionaris: twaalf Dasarts studenten uit acht verschillende landen van het noordelijke halfrond woonden en werkten samen met twaalf studenten van l´Ecole des Sables. We deelden tweeënhalve maand dezelfde slaapkamers, maaltijden, dansruimtes en middelen met jonge dansers/choreografen van het hele Afrikaanse continent. Het humanistische credo van de kunsten als dé manier om de mensheid bij elkaar te brengen was een telkens aanwezig cliché, en elke keer dat het weer lauwerend werd uitgeroepen door de volgende gastdocent of bezoekende fondsvertegenwoordiger, kromp ik een beetje in elkaar. Mijn probleem met dat cliché was vreemd genoeg hetzelfde als mijn initiële probleem met Afrikaanse rituelen. Ik maakte me zorgen over het suggestieve en ‘fake’ onderdeel in zowel het naïeve multiculturele droomjargon als in de vreugdevolle Afrikaanse rituele praktijk. Een ritueel had naar mijn idee een zekere hoeveelheid ernstigheid en mystiek nodig, geen mensen die lachten en er grapjes doorheen zaten te maken, mij het gevoel gevend deel uit te maken van een verjaardagsfeestje. Wat kon ik voor authentiek aannemen? Wat was eenvoudigweg nep? Leidt het ergens toe uit te roepen dat we met z´n allen een grote mensenfamilie zijn of zouden we er veel kritischer naar moeten kijken alvorens iets te beweren? Deze dingen beheersten mijn gedachten en dat is waarschijnlijk de reden waarom het, voor een Europeaan als ik, in meerdere opzichten heel moeilijk is zomaar een voet in de cirkel te zetten en te gaan dansen.

+

In de eerste week van het programma maakte ik twee rituelen mee. Germaine Acogny, artistiek directeur van l´Ecole des Sables, deed een stil welkomstritueel met een volle schaal water. En Olu Oguibe, een van onze gastleraren, deed een ander ritueel waarbij we eenvoudige kostuums aantrokken en zingend in een rij naar het strand liepen, het water van de Atlantische oceaan begroetten en weer terugkeerden. Acogny’s ritueel eindigde onverwacht toen een van ons per ongeluk al het water knoeide door de kalebas die van hand tot hand ging te laten glippen. Ik maakte me zorgen omdat het ritueel niet goed beëindigd kon worden, maar alle Afrikaanse studenten die ik daarna sprak zeiden dat het een goed teken was en waren er tamelijk vrolijk over. ‘Het is wat het is,’ zei Germaine nadat het water was gemorst. Op dat moment vatte ik dat op als een opmerking om de schade te beperken – pas later overwoog ik dat het ook een blije, eerlijke uiting van tevredenheid zou kunnen zijn.

Bij het ritueel van Olu Oguibe had ik zelfs moeite er überhaupt aan te beginnen. Het zag er allemaal zo geïmproviseerd uit, terwijl ik een bepaalde graad van heiligheid en ernst in de voorbereidingen verwachtte. Allerlei verhalen gingen door mijn hoofd. Een ervan was dat Oguibe en de andere Afrikaanse studenten dit alleen maar deden om ons een rituele ervaring te geven op een toeristenattractieachtige wijze. Hoe ongemakkelijk ik me voelde! Maar toen we het gingen doen, was het eigenlijk behoorlijk leuk. Terwijl er achteraf niet veel over de ervaring werd gepraat, begon ik iets te begrijpen van de paradox van eerlijk zijn en grappen maken, improviseren en volledig geabsorbeerd zijn, geen enkel probleem zien in het lachen over de dingen die we deden en deze ondertussen toch waarderen en niets als betekenisloos af te doen.

Ik schrijf mijn aanvankelijke problemen toe aan mijn Westerse opvoeding die mij geleerd heeft dat dingen of het één zijn of het ander. Ik heb het idee dat mijn ongeloof met betrekking tot geesten en magie, die zo ontwijfelbaar deel uitmaken van het bestaan van de meeste Afrikanen, ermee te maken heeft dat ik nog steeds te weten wil komen, voor eens en voor altijd, of magie nu wel of niet bestaat.

In Afrika begon ik te begrijpen dat als magie of wel, of niet bestaat – dat wil zeggen als deze twee worden gezien als de enige acceptabele mogelijkheden – ze inderdaad onmogelijk is. Magie kan alleen bestaan in een wereld waarin de dingen niet zo duidelijk vastliggen. Magie wint bij ambiguïteit. Het feit dat het leven dubbelzinnig is en dat menselijke wezens ambigue zijn en dat magie daarom bestaat en ons raakt, is iets dat ik in Europa nooit te weten zou zijn gekomen, want hier proberen we ambiguïteit te verbergen en er vanaf te komen.

+++

Het programma dat we in Toubab Dialaw volgden, was in wezen tien weken dans. We begonnen elke ochtend met Germaine Acogny die ons door een verbijsterende anderhalf uur improvisatie leidde. Ze stond voor ons en wij volgden haar bewegingen. Zelf volgde zij haar intuïtie en leidde ons op een reis van minimale bewegingen, door staan, zitten, rennen en de wildste energie-uitbarstingen, tot dansen, dansen, dansen. Bewegend vanuit rechte lijnen voor haar tot bewegend in een cirkel, vervolgens dansend in een vierkant/blok naar de musici toe die al onze bewegingen volgden zoals wij die van Acogny volgden. Onze voeten deden bergen zand dwarrelen, stilstaand voelden we de wind op onze huid.

Later op de dag volgden meer danslessen of kregen we bezoek van gastleraren uit andere disciplines. Maar wat me nog steeds bijblijft, zelfs een jaar later, zijn die ochtenden met Germaine Acogny.

Improvisatie, ongeacht de discipline, betekent nooit dat je zomaar iets doet. Of je nu met jazz, dans of stand-up comedy bezig bent, je moet het met iedereen doen, het publiek incluis. De aanwezigheid van andere mensen bepaalt niet zozeer je acties in absolute zin maar wel de volgorde van de dingen die kunnen plaatsvinden: je moet iedereen zien mee te nemen. Dus de bron van je improvisatie is niet zozeer je eigen wereld, losgekoppeld van de plek en de mensen om je heen, maar veel meer de totaliteit van de ruimte, jezelf en de anderen. Je werkt met de situatie die voor (je) handen is.

Acognys meesterschap lag hierin: ze wist elke dag de specifieke energieën die in de groep aanwezig waren met haar intuïtie te leiden. Dit betekende dat zij niet zomaar in het wilde weg uitbundig zou beginnen te dansen. Wij zouden natuurlijk alles hebben gevolgd wat zij deed, maar het was heel duidelijk dat dit voor haar niet zozeer een dansoefening was die zij toevallig leidde maar elke ochtend weer een gezamenlijke poging om bij elkaar te komen. Ik herinner me de dag dat we tijdens het ontbijt hoorden dat de oorlog in Irak was begonnen. Er hing die hele ochtend een ongrijpbaar gewicht op de groep. In de les met Germaine was het duidelijk dat zij een manier zocht om de groep van die loden last te bevrijden. Maar als een goede minnares legde ze ons haar wil niet op maar bleef ze – door middel van het lichaam – naar een opening zoeken die zichzelf zou manifesteren. Het duurde veel langer dan gebruikelijk, maar uiteindelijk waren we er: de spanning uitte zich in een uitbarsting die voelde zoals wilde maar speelse roofdieren elkaar naar believen kunnen aanvallen.

Je kunt nooit weten hoeveel tijd en wat het kost om bij elkaar te komen.

+

Noch de danslessen van Germaine Acogny, noch de Sabar waarvan ik in het begin van deze tekst een flits liet zien, zijn wat we normaal gesproken als ‘ritueel’ beschouwen. Het gangbare begrip van ritueel is dat er een vastgesteld aantal acties plaatsvindt die met een toegewijde geest worden uitgevoerd. Maar ook al waren Acognys ochtendlessen van nature improvisatie, de vorm stond vast en werd elke ochtend herhaald. ‘Toegewijd’ betekent, zonder in een esoterische discussie te willen belanden, dat je acties zijn bedoeld voor en worden geïnspireerd door iets dat groter is dan jezelf. Zoals het gezamenlijk bewegen zonder leider. Zoals aan de ogenschijnlijke scheiding tussen de ander en jezelf voorbijgaan. Zoals het onzichtbare volgen.

‘Ritueel’ is waarschijnlijk een van de meest twijfelachtig gebruikte termen in onze taal. Er zijn geseculariseerde rituelen die wij zelf kennen (handen schudden, cadeautjes geven, prinsjesdag, MTV-awards, et cetera), maar omdat we met deze handelingen doorgaans een nogal ongepassioneerde relatie hebben, horen ze al lang niet meer in de categorie ‘met een toegewijde geest uitgevoerd’. Afrikaanse rituelen daarentegen, worden door ons of beschouwd als oplichting en wijsmakerij, of we zien ze als een mysterie, van buitenaf bewonderd maar onaantastbaar voor ons, niet-ingewijden. Simpel gezegd: we weten niet wat we ermee aan moeten.

Met de groeiende fricties tussen onze geseculariseerde wereld en de maatschappijen die gewend zijn aan en bekwaam zijn in het leven met andere realiteiten dan de algemeen zichtbare, zitten we echter dringend verlegen om een nieuwe, eigen benadering.

Ik denk dat theater hierbij een belangrijke rol kan spelen. Niet alleen omdat theater een van de weinige plekken is waar we nog voor iets anders dan onszelf bij elkaar komen, maar ook omdat in de lege ruimte van het theater potentieel contact kan plaatsvinden.

Rituelen slaan een brug tussen deze en andere werelden. Maar om te beginnen zouden we moeten begrijpen dat de ‘andere wereld’ geen mysterie maar een dagelijkse ervaring is. Het begint als jouw blik mijn blik ontmoet; voordat we hebben besloten wie we voor elkaar zijn en welk spel we gaan spelen. Met elk contactmoment komen we in een grensgebied waar alles mogelijk is. En dat is precies de reden waarom we doorgaans meteen weer naar veilige oevers zwemmen. De ongepassioneerde, maar veilige rituelen die we met elkaar uitvoeren, houden het stromend grensgebied effectief buiten ons zicht. En dat terwijl het in werkelijkheid, zoals Jan Ritsema zegt, 95 procent van onze (belevings)wereld omvat.

Dit grensgebied, waar rituelen voor zijn bestemd, zit dus veel dichterbij dan we onszelf in het Westen hebben laten geloven. En het wordt hoog tijd dat we er een gezonde relatie mee ontwikkelen in plaats van het dagelijks te blijven negeren.

+++

Waar ik ben opgegroeid is het normaal om voor je eigen plezier te dansen. In disco’s en op feesten dansen we alleen of samen – maar met samen bedoelen we dan dat iedereen danst en bijna nooit: jij danst en ik kijk.

In Senegal is het tegendeel aan de hand: zo gauw je begint te dansen, vormt zich een publiek en beginnen zij met klappen of geven ze commentaar om jouw dans te begeleiden. Je wordt bekeken en je kunt er maar beter van genieten en een relatie met je publiek beginnen, anders krijg je een probleem. Het gaat veel minder om je vaardigheid als danser dan om je bedoelingen naar het publiek. Falen – vallen, niet presteren – is mogelijk en wordt oprecht gewaardeerd zo lang je faalt tijdens de poging om je helemaal te geven, vóór de ander, voor het publiek.

Saamhorigheid wordt gecreëerd in deze makkelijke omgang met de voordrachtsituatie. Je kunt op elk moment publiek worden of performer. Dat er naar je wordt gekeken maakt hier zo’n groot deel uit van de sociale interactie dat het tegelijkertijd op zichzelf minder belangrijk is en meer betekenis heeft voor het met compassie met elkaar omgaan dan hoe ik dat in het Westen ervaar.

In West-Europa, waar de positie van bekeken worden is gedelegeerd aan acteurs, politici en tv-sterren (die op weinig medeleven kunnen rekenen wanneer zij falen om te presteren), wordt het elkaar bekijken en plein public over het algemeen gezien als een inbreuk op onze privacy. Privacy is de heilige graal van mensen in de moderne wereld; ‘je eigen ding doen’ en ruimte hebben om je eigen persoonlijkheid te ontvouwen is zo langzamerhand onze enige, belangrijkste deugd geworden.

Bij deze deal hoort dat je je altijd en overal moet kunnen presenteren. Wie ben je? Wat doe je? Je hebt er maar beter een goed antwoord op. Falen is geen optie. Contactmomenten gaan over het uitwisselen van jouw identiteit tegen de mijne. Geen mens die onder zulke omstandigheden nog vrijwillig begint te dansen. Inspiratie, hartstocht, medeleven worden in de kiem gesmoord. De nadruk op identiteit houdt ons op veilige afstand.

Ook in de kunstwereld is het overdreven belangrijk geworden jezelf herkenbaar te positioneren ten opzichte van de rest van het veld. Wie ben je? Wat is jouw speciale bijdrage? Jouw artistieke handtekening?

Maar nu in deze tijd zelfs sigarettenreclames op grote billboards vragen ‘Wie ben je?’ is de nadruk op identiteit en individualisme gemeengoed geworden en moeten we onszelf afvragen waarom we nog steeds zo ontzettend gefascineerd zijn door dit paradigma. Zelfs Sasha Waltz, die recentelijk met Insideout de zoveelste voorstelling over identiteit en de effecten van individualisering en globalisering maakte, concentreert alle aandacht op identiteit zonder werkelijk de vinger op de zere plek te leggen: identiteit is op zichzelf al lang niet meer de meest dringende kwestie. Jezelf vinden was misschien een waardevolle strijd tijdens het grootste deel van de vorige eeuw, maar tegenwoordig wordt geen mobiele telefoon meer verkocht zonder een wees-jezelf-slogan. Identiteit verstikt alle andere kwesties en een serieuze verandering hierin laat al lang op zich wachten.

Of willen we echt in een maatschappij leven waarin jezelf vinden zoveel belangrijker wordt geacht dan het vinden van de ander?

+

In Senegal raakte ik eraan gewend dat mensen mij vroegen of alles goed ging wanneer ik aankondigde dat ik een stukje alleen ging lopen. Alleen willen zijn wordt bijna als ziektebeeld gezien, en dit gaf mij als Europeaan soms een behoorlijk ongemakkelijk gevoel. ‘Waar is mijn eigen ruimte?!’ dacht ik soms in lichte paniek.

Jouw eigen ruimte kan de ruimte in het midden van de cirkel zijn.

Voordat ik naar Afrika ging, was dit een onbegrijpelijk concept voor mij. Want waar ik vandaan kom wordt het middelpunt innemen gezien als arrogant en riekt het al gauw naar zelfoverschatting. Daartegenover gaat het dansen in de Sabar voornamelijk over vieren van je persoonlijkheid, en hoe mooier je jezelf vindt, hoe mooier je gaat dansen. Vooral de mannen maken er een groot ding van, als pauwen tonen ze hun veren. De vrouwen lachen er echter om en hebben hen net zo goed lief. Precies de goede reactie. Jezelf als iemand, als identiteit, presenteren zou altijd gezien moeten worden als wat het is: een grandioos spel van ijdelheid. In Afrika of in Europa, in de kunstwereld of op andere plekken in de maatschappij, het is een spel, en zou daarom nooit al te serieus moeten worden genomen. Helaas missen wij de sociale vaardigheden om dit in alledaagse situaties aan elkaar te onthullen en er samen om te lachen. In de Sabar wordt de wens om jezelf in het middelpunt van de aandacht te zetten niet verborgen gehouden, de wens is er openlijk en dit maakt het eenvoudigweg heel ontwapenend. En of je nu excelleert of vreselijk afgaat in je poging: het is allemaal menselijk en wordt daarom oprecht gewaardeerd.

+

Wat bij improvisatie mis kan gaan is dat je niet duidelijk bent in je voornemens als performer. Moet je jezelf zijn? Of moet je het publiek vermaken? Zelfs als je het niet als een theatrale kwestie bekijkt, maar voor elke discipline of zelfs voor het leven van toepassing verklaart, kan het juiste antwoord niet worden gegeven als deze twee opties worden beschouwd als de enige acceptabele mogelijkheden. De waarheid ligt in het midden. Ze staat en valt, wordt versluierd, verloren, teruggevonden en onthuld op het moment dat je in het midden van de cirkel stapt.

Het middelpunt van de cirkel worden gaat over timing, durf en plezier: de aandacht opeisen, jezelf het middelpunt maken van wat er gebeurt en daar schaamteloos plezier in hebben. Tegelijkertijd is het belangrijk je te herinneren dat wat je doet niet over jezelf gaat; maar ook niet uitsluitend over het publiek. Het gaat over jou én het publiek: het grensgebied waar twee werelden mogen bestaan zonder elkaar uit te sluiten. Het werk van zowel de performers als de toeschouwers is om in dit grensgebied bij elkaar te komen.

De Sabar heeft me geleerd dat er slechts één ding is dat een publiek nooit zal accepteren: dat je de sterke band met hun ontkent, die ontstaat als je je voet in het midden van de cirkel zet.

Thomas Johannsen

Als je graag je gedachten over dit artikel met mij wil delen, hoor ik heel graag van je: contact Thomas

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s